Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing
Inleiding
Terug naar navigatie - Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing - InleidingOm te voorkomen dat risico's de gemeentelijke draagkracht en ambities te boven gaan, bepalen we het weerstandsvermogen. De ontwikkeling van het weerstandsvermogen geeft inzicht in de mate waarin we in staat zijn om de risico's op te kunnen vangen. Dit wordt bepaald door de verhouding tussen de totaal beschikbare weerstandscapaciteit en het risicoprofiel. De weerstandscapaciteit is opgebouwd uit de algemene reserve en de post onvoorzien. Een ratio weerstandsvermogen van minimaal 1 geeft aan dat de gemeente over voldoende weerstandscapaciteit beschikt om de geïdentificeerde risico's op te kunnen vangen. Meer over de ratio weerstandsvermogen staat in de inleiding van de begroting.
Wat leest u in deze paragraaf?
In deze paragraaf leggen we uit wat de belangrijkste risico’s zijn binnen elk programma van de gemeente. Ook laten we zien of we genoeg geld hebben om deze risico’s op te vangen.
Programma risico's
Terug naar navigatie - Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing - Programma risico'sPer programma benoemen we niet-financiële risico’s die de uitvoering en de maatschappelijke doelstellingen onder druk zetten.
Vitaal en sociaal Breda
Onderstaande risico’s sluiten aan bij de beweging naar één sociaal domein. Het niet slagen van deze transformatie is het toprisico van programma 1. Structureel budget voor ondersteuning van deze transformatie ontbreekt en op capaciteit en sturing bestaan knelpunten.
Structurele personeelstekorten en druk op mantelzorgers en vrijwilligers
Het aanbod van gekwalificeerd personeel in de zorg, de jeugdhulp en de gemeentelijke uitvoering blijft structureel achter bij de vraag. Daardoor ontstaat een situatie waarin essentiële ondersteuning niet tijdig of volledig geleverd kan worden. Dit leidt tot langere wachttijden, hogere werkdruk en een verminderde kwaliteit van de dienstverlening. Daarnaast staat ook de inzet van mantelzorgers en vrijwilligers onder druk, terwijl de begroting juist sterk inzet op zelfredzaamheid, sociale basis en ondersteuning dichtbij huis.
Meer en complexere hulpvragen
Door maatschappelijke ontwikkelingen, zoals medicalisering, prestatiedruk, intergenerationele problematiek en een afname van informele netwerken, neemt de vraag naar ondersteuning toe en wordt deze vraag complexer. Hierdoor ontstaat een groeiende druk op het sociaal domein en een toename van langdurige en intensieve hulptrajecten.
Beperkte regie en samenwerking
Wanneer de regie op complexe casuïstiek ontbreekt en de samenwerking tussen lokale teams, specialistische hulp en maatschappelijke partners onvoldoende is, ontstaat het risico dat inwoners tussen wal en schip vallen. Dit leidt tot vertraging in de hulpverlening en suboptimale resultaten.
Bestaansonzekerheid en financiële stress
Door de stijgende kosten voor levensonderhoud, schuldenproblematiek en beperkte toegang tot passend werk komen steeds meer inwoners financieel in de knel. Dit vergroot de afhankelijkheid van de gemeentelijke ondersteuning en het belemmert duurzame participatie.
Woningmarktproblematiek
Door een tekort aan betaalbare en passende woningen kunnen kwetsbare inwoners moeilijk doorstromen vanuit de zorg of de opvang. Dit belemmert hun herstel en het vergroot de druk op de maatschappelijke opvangvoorzieningen en beschermd wonen en op leefbaarheid op straat.
Ondernemend Breda
Thema Stimuleren economische ontwikkeling in Breda
Het Innovatiedistrict is afhankelijk van duurzame samenwerking tussen overheid, onderwijs en bedrijfsleven. Onvoldoende uitvoeringskracht, versnippering van initiatieven of achterblijvende betrokkenheid van partners kunnen de ontwikkeling van het innovatie-ecosysteem vertragen. Daarnaast blijven het aantrekken en behouden van talent, het realiseren van voldoende innovatie- en groeikapitaal en het versterken van de (inter)nationale zichtbaarheid van Breda belangrijke aandachtspunten.
Grote projecten
Centrum-Oost: in het bestuursakkoord 2026-2030 is ervoor gekozen om deze gebiedsontwikkeling de komende 4 jaar uit te stellen. Dit kan invloed hebben op de verwachtingen van samenwerkingspartners waardoor de bereidheid om te investeren of samen te werken kan veranderen. De gemeente blijft met betrokken partijen in gesprek over toekomstige ontwikkelingen, investeringen en gezamenlijke ambities.
Verbeter Breda: bij de uitvoering van Verbeter Breda staat het betrekken van inwoners centraal. Het gesprek met inwoners is belangrijker dan snelle mijlpalen of resultaten zonder draagvlak. Daarom nemen we de tijd om te horen wat zij belangrijk vinden in hun buurt. Deze aanpak levert waardevolle inzichten en kansen op. Ook al kan dat betekenen dat we beschikbare budgetten later besteden dan gepland.
Nieuwe Mark: externe marktomstandigheden kunnen de financiële haalbaarheid van het project beïnvloeden. Daarom werken we met risico-opslagen om mogelijke ontwikkelingen het hoofd te bieden. We beperken het risico op overlap met andere werkzaamheden in de omgeving door een goede planning, overleg met de betrokken partijen en het combineren van werkzaamheden waar dat kan.
Cultuur
De beschikbaarheid van betaalbare en geschikte werk-, oefen- en presentatieruimte voor culturele organisaties en makers staat onder druk. Hierdoor kan het voor culturele instellingen en creatieve talenten moeilijker worden om zich in Breda te vestigen of te ontwikkelen.
De culturele sector heeft te maken met stijgende personeels-, huisvestings- en exploitatiekosten. Dit kan gevolgen hebben voor de continuïteit, toegankelijkheid en kwaliteit van het culturele aanbod.
Het succes van cultuureducatie, cultuurparticipatie en talentontwikkeling is afhankelijk van blijvende samenwerking tussen culturele organisaties, onderwijsinstellingen, wijkpartners en andere maatschappelijke organisaties. Veranderingen binnen deze netwerken kunnen gevolgen hebben voor het bereik van jeugd en jongeren.
De ontwikkeling van het Innovatiedistrict en andere gebiedsontwikkelingen vraagt blijvende aandacht voor de positie van culturele makers en organisaties. Wanneer cultuur onvoldoende wordt meegenomen in deze ontwikkelingen, kan de beschikbare ruimte voor cultuur onder druk komen te staan.
Duurzaam wonen in Breda
Thema Wonen in Breda
Wonen
De woonopgave wordt omvangrijker door nieuwe wetgeving, extra monitoringsverplichtingen en de ambitie om woningbouw te versnellen. De beschikbare capaciteit en middelen zijn daarbij niet onbeperkt. Hierdoor blijft prioritering noodzakelijk. Tegelijk vraagt de uitvoering van de woonopgaven om intensieve samenwerking met corporaties, huurdersorganisaties, ontwikkelende partijen, zorgpartners en regionale partners. Dit vergroot het belang van een sterke gemeentelijke regie op de volkshuisvesting.
Thema Grote woonprojecten in de stad
Het realiseren van de woningbouwopgaven is ook afhankelijk van factoren die de gemeente slechts beperkt kan beïnvloeden. Belangrijke risico’s zijn netcongestie, stikstofregelgeving, bezwaar- en beroepsprocedures, stijgende bouwkosten en beperkte capaciteit in de bouwsector. Daarnaast vraagt de omvang van de schaalsprong om voldoende uitvoeringskracht bij de gemeente en haar partners. Daarom sturen we actief op prioritering, realisatiekracht en samenwerking.
Basis op orde in Breda
Thema Veilig Breda
Capaciteit en arbeidsmarkt
Krapte op de arbeidsmarkt kan de uitvoering vertragen.
Afhankelijkheid van partners
Veel veiligheidsopgaven vragen inzet van politie, OM, zorgpartners, NS, ProRail, Veiligheidsregio en maatschappelijke partners. Beperkte capaciteit bij partners kan effect hebben op tempo en resultaten en op verschuiving van inzet naar boa's waar dat niet gewenst is.
Juridische en privacy-risico’s
Cameratoezicht, gegevensdeling, Bibob-toetsing en persoonsgerichte aanpakken vragen zorgvuldige juridische borging en privacy-afwegingen. Onvoldoende juridische borging en privacybescherming kunnen leiden tot juridische procedures, boetes, reputatieschade en beperkingen in de uitvoering van veiligheidsmaatregelen.
Maatschappelijke acceptatie
Maatregelen, zoals cameratoezicht, extra handhaving en aanvullende geweldsmiddelen voor boa’s kunnen leiden tot discussie in de stad of raad.
Escalatie van veiligheidsvraagstukken
Ondermijning, jeugdcriminaliteit, polarisatie en overlast kunnen snel veranderen. Hierdoor kan herprioritering nodig zijn.
Thema Beheer openbare ruimte
We zien dat belangen in de openbare ruimte steeds vaker samenkomen en soms ook botsen. Dat kan afbreuk doen aan een kwalitatief goede leefomgeving. Denk dan bijvoorbeeld aan botsende belangen tussen verlichting, groen, veiligheidsbeleving en aan de ondergrond.
Net als voorgaande jaren hadden we te maken met beperkte personele capaciteit. Dit doet zich voor in de gehele keten: opdrachtgeverschap, werkvoorbereiding, vergunningverlening, uitvoering en het tijdig kunnen contracteren van aannemers. Daarnaast vraagt de energietransitie en de verzwaring van het laag- en middenspanningsnet veel tijd en inzet. Specifieke functies, zoals die van vergunningverlener zijn zeer moeilijk invulbaar. Hierdoor kan vertraging optreden.
Ook klimaatverandering vergroot de druk op kosten en capaciteit. Bijvoorbeeld bij langdurige droogte kan extra inzet nodig zijn om bomen en beplanting in stand te houden. Deze extra inzet gaat ten koste van beschikbare capaciteit voor reguliere beheertaken.
Voor digitalisering zijn we door personeelsschaarste, afhankelijkheid van specialistische kennis en beperkte beschikbaarheid van marktpartijen genoodzaakt om te prioriteren. Hierdoor kan niet alles tegelijk uitgevoerd worden.
Thema Vastgoedbeheer
Voor Vastgoedbeheer zijn de volgende risico's te noemen:
- Arbeidsmarktkrapte bemoeilijkt de personele invulling van de afdeling VGB.
- Netcongestie kan tot problemen leiden bij verduurzaming van accommodaties en bij nieuwe projecten.
- De relatief oude gebouwenportefeuille, waardoor de functionaliteit steeds meer ter discussie komt te staan en er oplopende kosten zijn van correctief en planmatig onderhoud.
- Door klimaatverandering en extreme weersomstandigheden neemt het risico op gedwongen sluiting van gemeentelijke gebouwen toe. Hiervoor worden protocollen opgesteld.
- Capaciteit aan accommodaties die achterblijft bij de vraag als gevolg van de toename van het aantal inwoners.
Thema Bestuur van Breda
Regionale samenwerking is voor Breda op meer en meer dossiers geen vrijblijvende keuze, maar een strategische noodzaak om de grote maatschappelijke opgaven van vandaag en morgen effectief aan te pakken. Wanneer onvoldoende wordt geïnvesteerd in duurzame relaties met regionale partners, of Breda vanuit de centrumrol te veel stuurt op (alleen) de eigen belangen, kan dit leiden tot afnemend vertrouwen en draagvlak. Dit kan de samenwerking en daarmee de strategische positie van Breda in de regio verzwakken.
Organisatie en financiën van Breda
Arbeidsmarkt en organisatiekracht
De gemeentelijke organisatie staat onder druk door arbeidsmarktkrapte, vergrijzing, pensioenuitstroom en een relatief hoog ziekteverzuim. Hierdoor neemt de druk op teams, leidinggevenden en de continuïteit van dienstverlening toe. Om deze risico's te beheersen, blijven het aantrekken, ontwikkelen, behouden en duurzaam inzetbaar houden van medewerkers speerpunten van ons HR-beleid. Wij investeren daarom in goed werkgeverschap, sterk leiderschap, een aantrekkelijk werkgeversmerk, preventie van verzuim en het slim organiseren van werk, ondersteund door digitalisering en nieuwe technologie. Via stay- en exitgesprekken houden we zicht op wat medewerkers nodig hebben en gebruiken we deze inzichten om onze organisatie verder te verbeteren.
De arbeidsmarktkrapte blijft voelbaar in onze organisatie. Het aantrekken van nieuwe medewerkers en het invullen van specialistische functies en inhuuropdrachten blijft uitdagend. Tegelijkertijd staan tarieven voor externe inhuur onder druk. Dit vergroot het belang van goed werkgeverschap, behoud van medewerkers en het slim organiseren van werk.
Het ziekteverzuim in Breda kwam in 2025 uit op 7,65%. De stijging past binnen een bredere ontwikkeling bij Nederlandse gemeenten. Het verzuim in Breda ligt echter hoger dan het gemiddelde van 7,1% voor alle gemeenten en het gemiddelde van 6,7% voor gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. Psychische klachten vormen de grootste klachtencategorie. Deze klachten komen vooral naar voren bij medewerkers tussen 25 en 55 jaar. Landelijke cijfers bevestigen een meerjarige toename van psychische klachten, burn-outklachten en psychisch verzuim met een relatief sterke ontwikkeling bij jongere en middelbare leeftijdsgroepen.
Digitalisering en datavolwassenheid
De digitale transitie stelt hoge eisen aan de organisatie in technisch opzicht én in houding en vaardigheden. Digitale innovaties lopen regelmatig vertraging op door technische problemen of een tekort aan vaardigheden bij de gebruikers. Zo worden ook de mogelijkheden van kunstmatige intelligentie vaak niet volledig benut door een gebrek aan kennis, onvoldoende infrastructuur of te weinig investeringen. Ook kan onvolledige of versnipperde data een belemmering vormen voor het nemen van betrouwbare besluiten en het afleggen van verantwoording. De geopolitieke verhoudingen zetten extra druk op het applicatielandschap. Aan de ene kant is onafhankelijkheid van onder andere Amerika gewenst, maar dat beperkt op dit moment tevens de mogelijkheden. We blijven de ontwikkelingen binnen Europa en Nederland op dit terrein volgen om voor de meest kritische processen in te kunnen stappen als de kansen er zijn.
Informatiebeveiliging en gegevensbescherming
Naast cyberdreigingen kan ook intern handelen leiden tot datalekken, bijvoorbeeld door onzorgvuldigheden of gebrekkige controles. Dit kan leiden tot reputatieschade en sancties.
Weerstandsvermogen
Terug naar navigatie - Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing - WeerstandsvermogenWe hebben een deel van ons eigen geld apart gezet als buffer. Daarmee kunnen we financiële tegenvallers opvangen. Zo zorgen we ervoor dat we onze plannen kunnen blijven uitvoeren en ons beleid stabiel blijft.
In de jaarrekening 2025 was het risicoprofiel (berekend met een Monte Carlo-simulatie) € 60,7 miljoen. In deze begroting is het risicoprofiel, op basis van de nieuwste cijfers, met € 2,6 miljoen gestegen. Het totale risicoprofiel komt nu uit op € 63,3 miljoen.
Met name de grote gebiedsontwikkelingen voegen een extra dimensie van onzekerheid toe. Deze projecten brengen substantiële investeringen met zich mee. Hiermee nemen de onzekerheden en dus ook de risico’s toe.
Om deze risico’s op te vangen en een stabiel financieel perspectief te houden voor Breda, wordt tussen 2026 en 2029 in totaal € 15,15 miljoen vanuit het meerjarenperspectief gestort in de algemene reserve.
Om de risico’s van € 63,3 miljoen op te vangen, heeft de gemeente in 2030, een bedrag van € 139,4 miljoen beschikbaar. Het verschil tussen deze bedragen is het weerstandsvermogen: € 76,1 miljoen. Dit betekent dat we genoeg geld hebben om ons beleid voort te zetten als de risico’s werkelijkheid worden.
De ontwikkeling van het risicoprofiel ziet er als volgt uit:

- De verticale as links (0,0-40,0) toont de bedragen x € 1 miljoen per risicogroep (kolommen).
- De verticale as rechts (0,0-140,0) toont het totaal aan risico's (de rode lijn) en het beschikbare vermogen x € 1 miljoen (de groene lijn). Het verschil tussen beide lijnen is het weerstandsvermogen.
Hoe we omgaan met het weerstandsvermogen, staat in de afbeelding hieronder:
In de afbeelding hierboven is te zien hoe we omgaan met het weerstandsvermogen:
- De rode lijn laat zien welk minimumbedrag we als buffer nodig hebben. Dit bedrag is bedoeld om financiële tegenvallers op te vangen.
- Als we meer geld hebben dan dit minimumbedrag, kijken we hoeveel we nodig hebben om onze financiële positie gezond te houden. Dat is het grijze vakje.
We meten onze financiële positie met verschillende kengetallen, zoals de netto schuldquote, de solvabiliteit, de grondexploitatie, de belastingcapaciteit en de structurele exploitatieruimte (meer uitleg hierover staat verderop). Als we de buffer hebben aangehouden en onze financiële positie op orde is, kijken we hoeveel geld we nodig hebben voor eerder gemaakte afspraken. Als er daarna nog geld overblijft, kunnen we dat vrij inzetten.
Beleid: Uitgangspunten en proces
Terug naar navigatie - Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing - Beleid: Uitgangspunten en procesAls gemeente willen we de doelen waarmaken die we samen hebben vastgesteld. Dat doen we het liefst zonder onverwachte tegenvallers. Daarom pakken we risico’s slim aan. Schematisch kan het Bredase risicomanagement beleid als volgt worden weergegeven:
1e lijn: We brengen risico’s in beeld
We kijken goed naar wat er om ons heen gebeurt. Soms ontstaan er risico’s door ontwikkelingen waar we geen invloed op hebben. Ook kiezen we er soms bewust voor om risico’s te nemen, omdat ze ons helpen om onze plannen uit te voeren. Daarnaast letten we op risico’s die we wél kunnen voorkomen, bijvoorbeeld als we onbedoeld niet helemaal volgens de regels werken. Ook houden we rekening met onverwachte gebeurtenissen waaronder fraude of schade. Al deze risico’s brengen we zorgvuldig in kaart.
2e lijn: We kiezen de belangrijkste risico’s
Bij het opstellen van de begroting en de jaarrekening bepalen we welke risico’s de grootste invloed kunnen hebben. Deze ‘toprisico’s’ krijgen extra aandacht. We leggen ze uit in de paragraaf ‘Weerstandsvermogen en risicobeheersing’ van de begroting en de jaarrekening.
3e lijn: We nemen maatregelen
We bepalen per toprisico een passende strategie. Daarin leggen we vast welke maatregelen we nemen om het risico te beperken.
4e lijn: We controleren of het werkt
We controleren regelmatig of ons risicobeheer goed werkt. Dat doen we met een audit, uitgevoerd door het team Audit van de afdeling Concerncontrol. Op basis van hun bevindingen verbeteren we onze aanpak waar nodig.
Benodigde weerstandscapaciteit
Terug naar navigatie - Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing - Benodigde weerstandscapaciteitWe brengen onze risico’s in kaart met een risico-inventarisatie. Op basis daarvan bepalen we het risicoprofiel en de benodigde weerstandscapaciteit. De belangrijkste risico’s lichten we verderop in deze paragraaf toe.
Om zo precies mogelijk te berekenen hoeveel weerstandscapaciteit we nodig hebben, gebruiken we een Monte Carlo-simulatie. Dit is een geautomatiseerde en veelgebruikte statistische methode die verschillende scenario’s doorrekent. Daarbij werken we met zekerheidspercentages. Die geven aan hoe groot de kans is dat de werkelijke schade lager is dan het berekende bedrag. We gebruiken een zekerheidspercentage van 95%. Dat betekent dat er slechts 5% kans is dat de schade hoger uitvalt. Zo krijgen we een realistisch beeld van de mogelijke financiële gevolgen van risico’s en hoeveel geld we daarvoor nodig hebben.
Bedragen x € 1 miljoen |
|||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Nr. |
Risico`s |
Begroting 2025 |
Jaarrekening 2024 |
Begroting 2026 |
Jaarrekening 2025 |
Begroting 2027 |
|||
Algemeen |
|||||||||
1 |
Claims |
2,9 |
2,1 |
2,5 |
0,9 |
0,8 |
|||
2 |
Verbonden partijen (GR'en) |
0,8 |
0,8 |
0,8 |
0,8 |
0,8 |
|||
Vitaal en sociaal Breda |
|||||||||
3 |
Sociaal Domein |
15,3 |
20,8 |
21,5 |
21,6 |
25,0 |
|||
Ondernemend Breda |
|||||||||
4 |
Projecten |
12,0 |
8,4 |
8,4 |
13,1 |
13,1 |
|||
Duurzaam wonen in Breda |
|||||||||
5 |
Vastgoedontwikkeling |
10,5 |
13,5 |
13,4 |
7,5 |
7,5 |
|||
6 |
Klimaatrisico's |
0,8 |
0,8 |
0,6 |
0,6 |
0,6 |
|||
Basis op orde in Breda |
|||||||||
7 |
Risico's afvalservice |
nihil |
nihil |
8,3 |
3,8 |
0,8 |
|||
8 |
Netcongestie |
pm |
pm |
4,8 |
4,8 |
4,8 |
|||
Organisatie en financiën van Breda |
|||||||||
9 |
Cyberrisico's |
1,7 |
1,7 |
1,7 |
2,2 |
2,2 |
|||
10 |
Digitale Soevereiniteit |
nihil |
nihil |
nihil |
0,5 |
0,5 |
|||
11 |
Borgstellingen en leningen |
pm |
pm |
5,5 |
4,9 |
4,9 |
|||
Claims (€ 0,8 miljoen + pm, was € 0,9 miljoen + pm)
Dit zijn risico’s voor claims, bijvoorbeeld vanwege ruimtelijke ontwikkelingen. Het risicobedrag is herzien op basis van actuele ontwikkelingen in lopende rechtszaken.
Verbonden partijen (blijft € 0,8 miljoen)
Voor gemeenschappelijke regelingen (GR'en) reserveren we vermogen. Een aantal GR'en bouwen geen eigen vermogen op en vallen bij tegenvallers direct terug op het vermogen van de deelnemende gemeenten waaronder Breda. Wij steunen nu op het risicomanagement van de GR'en. In onderstaande risicoberekening zijn de volgende verbonden partijen meegenomen: GGD, RBL, BWB, OMWB, VRMWB, RWB en RdB.
Sociaal Domein (€ 25,0 was € 21,6 miljoen)
BUIG
Het ministerie van SZW wil er met de financieringssystematiek BUIG voor zorgen dat alle gemeenten samen een toereikend macrobudget hebben en dat de verdeling zo goed mogelijk aansluit bij de werkelijke kosten. In de praktijk blijkt echter dat deze systematiek nog niet goed aansluit. Daarom heeft de minister in 2022 diverse onderzoeken in gang gezet om het objectiefvoordeelmodel te verbeteren. De kans bestaat dat het BUIG budget ontoereikend is. Als dit zo is, kunnen we aanspraak maken op een vangnetuitkering die door de toetsingscommissie Vangnet Participatiewet wordt beoordeeld. Aan deze uitkering zijn voorwaarden verbonden, waaronder een eigenrisico-component (maximaal 10% van het BUIG-budget).
Ombuiging bestuursakkoord Werk en Inkomen
Vanwege het forse financiële resultaat van de afgelopen jaren op het gebied van Werk & Inkomen is in het bestuursakkoord gerekend met een voordeel van € 3 miljoen in 2023, aflopend naar € 0,5 miljoen in 2026. Dit financiële resultaat is in eerdere jaren echter vooral behaald door incidentele meevallers. Of deze meevallers zich ook (voldoende) voordoen in de komende jaren, is nog onzeker.
Taakstelling KN 2024 Onderdeel 'Statushouders naar werk' € 500.000, 'Rechtmatigheidsonderzoeken' € 400.000 en 'SROI' € 250.000
De genoemde bedragen worden naar verwachting behaald door uitstroom van uitkeringsgerechtigden en door het voorkomen, terughalen of niet toekennen van uitkeringen. Het belangrijkste risico is dat extra instroom deze besparing financieel (deels) tenietdoet doordat er opnieuw een groter beroep wordt gedaan op het BUIG-budget. Daarnaast wordt bij het bepalen van de hoogte van het BUIG-budget rekening gehouden met de realisatie van het voorgaande jaar (t-1). Dit betekent dat een lagere uitkeringslast in een bepaald jaar kan leiden tot een lager budget in het jaar daarna. Voor de genoemde onderdelen houdt dit in dat de uitstroom en beëindigingen ieder jaar opnieuw moeten worden gerealiseerd.
Personeel knelpunt Participatie
Gemeenten maakten extra uitvoeringskosten voor de invoering van de Wet inburgering. Dit kwam door hogere aantallen inburgeraars dan verwacht. Het Rijk komt de gemeenten hier vooralsnog niet in tegemoet. Ook in Breda is er extra instroom van statushouders. Dit geeft een piek bij meerdere afdelingen en voorzieningen binnen Participatie & Bestaanszekerheid. In de begroting 2026 zijn hiervoor extra middelen beschikbaar gekomen, wel met de verwachting dat deze doelgroep vanaf 2027 afneemt. Tegelijkertijd zijn productgelden weggevallen en moet Participatie bijdragen aan de opgelegde taakstelling voor de organisatie.
Voorziening dubieuze debiteuren sociale zaken niet toereikend
Het debiteurenbeleid binnen Participatie & bestaanszekerheid wordt herijkt. Na opschoning van het debiteurenbestand worden verjaring, stuiting en beleidsregels onderzocht. Eind dit jaar wordt de afronding verwacht. Het is nog onzeker of de voorziening dubieuze debiteuren toereikend is. Het financiële effect is daarom vooralsnog pro memorie.
Hervormingsagenda Jeugd
De Hervormingsagenda Jeugd is een landelijke aanpak voor het verbeteren van de jeugdzorg. Het doel is om de zorg beter, effectiever en betaalbaarder te maken. Belangrijke maatregelen zijn het invoeren van een eigen bijdrage, het beperken van de duur van zorgtrajecten en het versterken van preventie en samenwerking in de regio. De beoogde maatregelen zijn niet haalbaar in 2026 en 2027. Hiervoor zijn we gecompenseerd vanuit het Rijk om de financiële druk tijdelijk te verlichten. Vanaf 2028 vervalt deze compensatie. De verwachte besparingen vanaf 2028 zijn onzeker en mogelijk niet haalbaar binnen de gestelde termijnen. We lopen daardoor het risico op structurele tekorten, zeker als de maatregelen niet het beoogde effect hebben en/of niet worden gecompenseerd door het Rijk.
Investering gecertifieerde instellingen
We verwachten een investering in de contracten met gecertificeerde instellingen. Dit zijn instellingen die van overheidswege gecertificeerd zijn om kinderbeschermingsmaatregelen en maatregelen vanuit de jeugdreclassering uit te voeren. Het is nog onduidelijk hoe deze investering gefinancierd wordt (compensatie vanuit het Rijk).
Transformatie JeugdzorgPlus
Voor de afbouw en ombouw van de JeugdzorgPlus heeft het Rijk specifieke middelen beschikbaar gesteld. Daarmee kunnen we investeren in de gemeentelijke capaciteit en de JeugdzorgPlus-instellingen om deze transformatie te bereiken. Het is onduidelijk of deze specifieke middelen vanuit het Rijk verlengd worden.
Toenemende zorgvraag Wmo
We zien een groeiende zorgvraag binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) door demografische en maatschappelijke ontwikkelingen. De vergrijzing leidt tot een toename van het aantal ouderen met een langdurige ondersteuningsbehoefte. Tegelijkertijd neemt de beschikbaarheid van informele zorg (zoals hulp uit het eigen netwerk) af. Hierdoor doen inwoners sneller en vaker een beroep op formele ondersteuning. Door de toenemende vraag en hoge indexeringen op de Wmo-tarieven ontstaat er een structurele mismatch tussen de stijgende uitgaven en inkomsten vanuit het gemeentefonds. Dit leidt tot druk op de begrote Wmo budgetten.
Invoering inkomensafhankelijke eigen bijdrage Wmo
De invoering van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage binnen de Wmo is inmiddels uitgesteld en staat nu gepland voor 1 januari 2028. Wij verwachten dat de invoering opnieuw wordt uitgesteld. Dit brengt het risico met zich mee dat de verwachte besparingen niet gehaald worden. De verwachting is dat het Rijk gemeenten opnieuw compenseert bij het uitstellen van de maatregel. De vorm, de hoogte en de timing van deze compensatie zijn echter onzeker waardoor het risico voor gemeenten reëel blijft.
Timing van jeugdhulp en Wmo-tariefindexatie
De tarieven voor jeugdhulp en Wmo worden jaarlijks opnieuw vastgesteld op basis van de daadwerkelijke contractuele indexatie. Deze indexatie vindt plaats nadat de gemeentelijke begroting is vastgesteld. In de begroting wordt gewerkt met een standaard loon- en prijsindex, terwijl uit de afgelopen jaren is gebleken dat de feitelijke tariefindexatie structureel hoger uitvalt dan deze begrotingsindex. Hierdoor worden de kosten voor jeugdhulp en Wmo niet volledig reëel begroot.
Het risico is dat de daadwerkelijke uitgaven als gevolg van de contractuele tariefindexatie hoger uitvallen dan de beschikbare begrotingsmiddelen. Gezien de structurele afwijking tussen de gehanteerde begrotingsindex en de feitelijke indexatie van de tarieven is dit geen incidenteel, maar een terugkerend financieel risico dat kan leiden tot aanvullende budgetdruk binnen het sociaal domein.
Inkoop en aanbesteding Jeugdhulp
De financiële effecten van de nieuwe inkoop en aanbesteding van de jeugdhulp per 2027 zijn nog onzeker. Door vertraging in het aanbestedingsproces, zijn de definitieve financiële gevolgen nog niet bekend tijdens het opstellen van de begroting 2027. Voor de begroting 2027 is uitgegaan van de gemiddelde financiële bandbreedte, zoals deze vooraf voor de aanbesteding is vastgesteld. Omdat de definitieve contractafspraken nog niet bekend zijn, bestaat het risico dat de uiteindelijke tarieven en kosten hoger uitvallen dan dit gemiddelde uitgangspunt. Hierdoor bestaat het risico dat de kosten van jeugdhulp hoger uitvallen dan begroot en dat beoogde besparingen of taakstellingen niet of slechts gedeeltelijk worden gerealiseerd.
Mogelijk faillissement van een gecontracteerde aanbieder
Mogelijk krijgen we te maken met het faillissement van een gecontracteerde aanbieder die voor onze gemeente één of meer voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp uitvoert. Hiervan kan de gemeente negatieve gevolgen ondervinden. We moeten dan bepalen hoe de continuïteit van de ondersteuning en de zorg kan worden gewaarborgd.
Opgenomen beheersmaatregelen/ombuigingen en/of taakstellingen
In de begroting zijn meerjarige beheersmaatregelen/ombuigingen en/of taakstellingen opgenomen. Het effect daarvan wordt periodiek gemonitord. Het risico bestaat dat deze beheersmaatregelen/ombuigingen niet of slechts gedeeltelijk worden behaald.
Afschaffing huishoudelijke ondersteuning 2029
Vanaf 2029 wordt huishoudelijke ondersteuning voor inwoners die deze zelf kunnen bekostigen naar verwachting niet langer vanuit de Wmo vergoed. Tegelijkertijd wordt landelijk gesproken over een vangnetregeling voor inwoners die tussen wal en schip dreigen te vallen. Op dit moment ontbreekt echter nog een concreet wettelijk en beleidsmatig kader voor de invulling, doelgroepafbakening, toegangseisen, financiering en uitvoering van deze vangnetregeling.
Hierdoor bestaat het risico dat de gemeente wordt geconfronteerd met hogere kosten dan nu in de begroting zijn voorzien. Zolang onduidelijk is welke inwoners recht houden op ondersteuning en welke financiële verantwoordelijkheid bij gemeenten wordt neergelegd, kunnen de budgettaire gevolgen niet betrouwbaar worden ingeschat. Daarnaast bestaat het risico dat gemeenten gedurende de overgangsperiode aanvullend lokaal beleid moeten ontwikkelen of tijdelijke maatregelen moeten treffen om inwoners te ondersteunen.
De financiële consequenties van de vangnetregeling zijn daardoor op dit moment onvoldoende voorspelbaar. De omvang van het risico wordt duidelijk zodra het Rijk de wet- en regelgeving en de bijbehorende uitvoeringskaders verder heeft uitgewerkt.
Veilig Thuis
Veilig Thuis West-Brabant voldoet momenteel niet aan de wettelijke termijnen voor de uitvoering van haar wettelijke taken. Hierdoor bestaat het risico dat meldingen van huiselijk geweld en kindermishandeling niet tijdig worden behandeld. Daarnaast kampt de organisatie met aanhoudende financiële en organisatorische problemen. Ondanks aanvullende subsidies en verschillende bestuurlijke interventies in 2026, is opnieuw aanvullende financiering aangekondigd voor 2027. Tegelijkertijd bestaat nog onvoldoende inzicht in de oorzaken van de problematiek, de effectiviteit van de getroffen maatregelen en het structurele herstelvermogen van de organisatie om te komen tot een sterke, betrouwbare en financieel gezonde organisatie met focus op de wettelijke taken en termijnen.
Projecten (blijft € 13,1 miljoen)
Algemeen
De toprisico’s hebben betrekking op een aantal grote projecten en gebiedsontwikkelingen met een lange doorlooptijd en een hoge mate van complexiteit. Deze projecten kennen onzekerheden die samenhangen met planvorming, realisatie, externe afhankelijkheden en bestuurlijke besluitvorming. De risico’s worden periodiek geactualiseerd bij de begroting en de jaarrekening.
’t Zoet
Voor de gebiedsontwikkeling ’t Zoet zijn in 2025 de belangrijkste risico’s op hoofdlijnen in beeld gebracht in het kader van het door de raad vastgestelde koersdocument en het financieel perspectief. Deze risico’s hebben onder meer betrekking op het halen van de planning in relatie tot verkregen rijksbijdragen, marktontwikkelingen en de afzet van het globaal geplande woon- en werkprogramma, mogelijke stijgingen van bouwkosten, milieuaspecten en de beschikbaarheid van interne en externe capaciteit.
De Strip Havenkwartier
Voor het project De Strip Havenkwartier hebben de risico’s in de eerste realisatiefase met name betrekking op de planning en uitvoering van de woningbouw en bijbehorende civieltechnische werkzaamheden. Bij de aanvraag van de rijksbijdrage voor woningbouw is uitgegaan van een globale planning. Het risico bestaat dat deze planning niet wordt gehaald als gevolg van marktontwikkelingen, stijgende bouwkosten en mogelijke bezwaar- en beroepsprocedures. Dit kan gevolgen hebben voor het voldoen aan subsidievoorwaarden.
Daarnaast zijn er risico’s verbonden aan het behoud en de restauratie van de erfgoedhallen Backer & Rueb en Lammonthal, volgens de in anterieure overeenkomsten vastgelegde uitgangspunten. Ook spelen risico’s rondom kostenstijgingen en indexering in de bouw en civiele techniek waarvan de omvang mede afhankelijk is van de verdere uitwerking van deelprojecten.
Tot slot zijn er risico’s verbonden aan de uitvoering van de hub, een collectieve parkeervoorziening binnen de gebiedsontwikkeling. Het risico bestaat dat deze voorziening niet tijdig beschikbaar is of (op termijn) niet toereikend blijkt voor de beoogde woningbouwfasen. Hierdoor zijn mogelijk tijdelijke of alternatieve oplossingen noodzakelijk.
Nieuwe Mark
De risico’s die voor de Nieuwe Mark in beeld zijn gebracht, hebben met name betrekking op de overschrijding van geraamde realisatiekosten, voor zover niet ondervangen door projectspecifieke risico-opslagen. Te denken valt hierbij aan marktrisico’s, ongeplande faseringskosten, kosten van sanering, enz. Nieuw opgenomen is het risico van verlies van bijdragen van derden, in het geval het project een ander verloop kent dan voorzien.
Vastgoedontwikkeling (blijft € 7,5 miljoen)
De risico’s die zijn verbonden aan grondexploitaties zijn onderdeel van de totale risicopositie van de gemeente Breda. Ze worden gedekt uit de totale weerstandscapaciteit. Het totale risico dat is verbonden aan het taakveld grondexploitatie bepalen we door te kijken naar de volgende risico’s:
Algemene risico’s in grondexploitaties
Deze risico’s houden we bij op risicokaarten en zijn van toepassing op alle grondexploitaties. Het gaat hierbij om normale afwijkingen op geraamde kosten en opbrengsten veroorzaakt door macro-economische ontwikkelingen en/of de uitkomsten van reguliere werkprocessen. Deze risico’s worden gekwantificeerd door middel van een scenario-analyse waarbij een bandbreedte wordt bepaald voor de nog te realiseren kosten en opbrengsten in de grondexploitatie. De algemene risico’s bestaan uit:
- Afwijkingen op parameters en looptijd via een scenarioberekening waarin de grondexploitatie ‘tegenzit’. Ten opzichte van de basecase-situatie wordt gerekend met een hogere rente, hogere kostenstijging, lagere opbrengststijging en een langere looptijd.
- Standaard bandbreedtes op nog te realiseren grondopbrengsten
- Standaard bandbreedtes op nog te realiseren kosten in de categorieën bouw- en woonrijp maken, plankosten, verwervingskosten en overige kosten
Project-specifieke risico’s in grondexploitaties
Ook deze risico’s houden we bij op de risicokaart. Alleen gaat het hier om risico’s die verbonden zijn aan 1 specifieke grondexploitatie. Een project-specifiek risico wordt gekwantificeerd door het financiële effect van een gebeurtenis in te schatten en dit te vermenigvuldigen met de kans op optreden. Voor elk risico worden beheersmaatregelen opgesteld om het risico te beheersen.
Risico’s die zijn verbonden aan onze portefeuille panden en gronden
Deze risico’s worden bijgehouden op een aparte risicokaart voor de voorraad panden en gronden.
Met deze 3 soorten risico’s als input bepaalt een statistische simulatie hoeveel weerstandscapaciteit er nodig is om de risico’s af te dekken. De benodigde weerstandscapaciteit wordt berekend op € 7,5 miljoen (bij 95% zekerheidspercentage). In deze berekeningswijze draagt een grondexploitatie met positief saldo de eigen risico’s. Pas wanneer dat niet meer (geheel) mogelijk is, wordt een beroep gedaan op de gemeentelijke weerstandscapaciteit.
Klimaatrisico’s (blijft € 0,6 miljoen)
De klimaatrisico's in de openbare ruimte zijn helder. We moeten bijvoorbeeld bomen en struiken vervangen door droogte, hevige stormen en we krijgen overlast van invasieve exoten. Daarnaast worden onze wegen aangetast, moeten we gladheidsbestrijding uitvoeren en hebben we te maken met wateroverlast door extreme neerslag. De klimaatrisico’s worden beperkt door extra acties, waaronder aanvullende middelen voor het onderhoud van het groen (vanuit de actualisatie van het beleidskader kapitaalgoederen). De wateroverlast is onderdeel van het Gemeentelijk Plan Stedelijk Water en Riolering. Daarnaast zetten we initiatieven voort die zich richten op klimaatadaptief handelen, zoals klimaatadaptieve wijkdeals, het project Groene Buurtjes, de subsidieregeling Groene Daken en Groene Schoolpleinen en het uitvoeren van stresstesten en risicodialogen. In het Strategisch Investeringsplan zijn middelen gereserveerd voor groene straten en pleinen en de instandhouding van bomen en groen. Deze maatregelen dragen bij aan het oplossen van de hitteproblematiek in de binnenstad. In het bestuursakkoord en bij de actualisatie van het beleidskader kapitaalgoederen zijn extra middelen beschikbaar gesteld voor groen en extra bomen. Het financiële risico zit vooral in de gladheidsbestrijding en de beheersing van invasieve exoten.
Risico’s Afvalservice (was € 3,8 miljoen, wordt € 0,8 miljoen)
Gemeenschappelijke regeling Nazorg Gesloten Stortplaatsen
De provincie Noord-Brabant heeft de gemeente Breda in 2026 een naheffingsaanslag opgelegd van € 2,8 miljoen om het benodigde doelvermogen van de gesloten stortplaats Zevenbergen aan te vullen. Met dit risico was voor € 3 miljoen rekening gehouden in eerdere risicoprofielen. Deze aanslag voldoen we ineens en brengen deze ten laste van de algemene reservepositie door de kosten van de aanslag te verwerken in de exploitatiebegroting 2026. Het risico heeft zich dus voorgedaan en is daarmee geen risico meer.
Claim lachgascilinders € 0,5 miljoen
Dit risico betreft de aansprakelijkheidsstelling van afvalverwerkingsbedrijf AVR. Hun installaties lopen schade op doordat er lachgascilinders zitten in het afval dat gemeenten aanbieden. De gerechtelijke uitspraak is in ons nadeel. Momenteel wordt onderzocht wat hiervan de concrete impact gaat zijn.
Raamovereenkomst verpakkingen € 0,3 miljoen
De nieuw afgesloten raamovereenkomst tussen Verpact, VNG en NVRD resulteert in een verscherpte controle die plaatsvindt op de kwaliteit van plastic verpakkingen. Dit leidt mogelijk tot een ‘korting’ op de door Afvalservice te ontvangen baten.
Netcongestie, Stikstofproblematiek en KRW (blijft € 4,8 miljoen)
In 2025 zijn de risico’s verder toegenomen door de noodzakelijke verzwaring van het elektriciteitsnet, strengere jurisprudentie op het gebied van stikstof en aangescherpte eisen voor waterkwaliteit richting de KRW-deadline in 2027. Deze ontwikkelingen leiden tot vertragingen en kostenstijgingen bij woningbouwprojecten, gebiedsontwikkelingen en gemeentelijke investeringen.
Netcongestie
Op 12 december 2025 stelde de ACM een nieuw prioriteringskader vast. Een belangrijke wijziging is dat vanaf 1 juli 2026 klein- en grootverbruikers in één wachtrij komen, waardoor de automatische voorrang voor kleinverbruik (zoals woningen en maatschappelijk vastgoed) is vervallen. Dit kan de voortgang van woningbouw en verduurzaming aanzienlijk beïnvloeden.
Door de toenemende netcongestie moeten bedrijven die zich willen vestigen, uitbreiden of verduurzamen langer wachten op aansluitingen of extra capaciteit. Ook woningbouw en essentiële voorzieningen, zoals supermarkten, scholen en zorgcentra kunnen hierdoor vertraging oplopen. Deze druk op het elektriciteitsnet vormt een groeiend risico voor het Bredase vestigings- en investeringsklimaat.
Stikstofproblematiek
Recente jurisprudentie maakt de vergunbaarheid van projecten complexer. Dit vormt een groot risico voor de uitvoerbaarheid van het Bredase woningbouwprogramma. Hoewel het Rijk werkt aan aanvullende maatregelen, is onzeker of deze juridisch houdbaar zijn. Hierdoor neemt het risico op langdurige vertragingen toe met gevolgen voor planning, kosten en realisatie van woningbouw en gebiedsontwikkeling.
Kaderrichtlijn water (KRW)
In 2027 verloopt de eindtermijn van de Europese Kaderrichtlijn Water. De waterkwaliteit in Nederland en ook in Breda blijft op verschillende punten achter. Daardoor kan een vergelijkbare situatie ontstaan als bij het stikstofdossier, namelijk projecten met een negatieve impact op de waterkwaliteit kunnen stil komen te liggen. Ook recreatieve functies, zoals de recreatievaart op de Mark en Singels, kunnen onder druk komen te staan.
Het risico is dat lopende en geplande ruimtelijke ontwikkelingen niet of alleen met aanvullende maatregelen kunnen worden uitgevoerd. Daarom werkt Breda samen met waterschap en provincie aan een robuuste dossieropbouw om juridische risico’s te beperken.
Cyberrisico’s (blijft € 2,2 miljoen)
Het kanspercentage is gebaseerd op het (openbare) Dreigingsbeeld Informatiebeveiliging Nederlandse Gemeenten dat inzicht geeft in de belangrijkste bedreigingen en ontwikkelingen op het gebied van informatiebeveiliging. Denk daarbij aan aanvallen via ransomware, email, met gebruikmaking van AI of incidenten bij leveranciers, DDOS aanvallen (dat zijn aanvallen waarbij kwaadwillenden een website of online dienst platleggen door deze te overspoelen met nepverkeer vanaf meerdere bronnen tegelijk) of aanvallen op operationele technologie (bijv. verkeersregelinstallaties, systemen voor riolering of camerasystemen).
Digitale soevereiniteit (blijft € 0,5 miljoen)
Door geopolitieke ontwikkelingen en afhankelijkheid van (niet Europese) technologie leveranciers kan het noodzakelijk worden om digitale systemen versneld te vervangen. Dit kan leiden tot incidentele kosten voor migratie en transitie van systemen, investeringen in een soeverein cloud of on premise platform, aanvullende security en compliance maatregelen, extra beheer en training en adoptie binnen de organisatie.
Borgstellingen (blijft € 4,9 miljoen)
De gemeente verleent borgstellingen aan derden en neemt achtervangposities in bij waarborgfondsen. Dat is niet zonder risico's. De gemeente wordt aangesproken als deze derden hun verplichtingen niet nakomen. Bij een achtervangpositie in een waarborgfonds gebeurt dit pas als het garantievermogen van het fonds niet genoeg is. We schatten dit risico laag in. Bij een aanspraak zorgen de hypothecaire zekerheden in het voordeel van de gemeente Breda ervoor dat het financieel verlies gering of nihil is.
De gemeente heeft bij 2 waarborgfondsen een achtervangpositie:
- Het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW)
- Het Waarborgfonds Eigen Woningen dat de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) verstrekt
Beide waarborgfondsen hebben een zeer solide financiële positie. De totale hoofdsom van verleende borgstellingen en verstrekte leningen is € 219 miljoen. Onze directe achtervangpositie voor het Waarborgfonds Sociale Woningbouw is € 723 miljoen. Voor het Waarborgfonds Eigen Woningen is geen bedrag voor onze achtervangpositie bepaald. Het totale netto risicobedrag voor borgstellingen en leningen voor gemeente Breda schatten we in op € 4,9 miljoen.
Beschikbare weerstandscapaciteit
Terug naar navigatie - Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing - Beschikbare weerstandscapaciteitBedragen x € 1 miljoen |
||||
|---|---|---|---|---|
Onderdeel weerstandscapaciteit |
2027 |
2028 |
2029 |
2030 |
Algemene reserve (per 1-1) |
134,7 |
137,1 |
145,7 |
138,7 |
Onvoorzien |
0,7 |
0,7 |
0,7 |
0,7 |
Vermogen om bezuinigingen door te voeren |
pm |
pm |
pm |
pm |
Totaal beschikbare weerstandscapaciteit |
135,4 |
137,8 |
146,4 |
139,4 |
Met een risicopositie van € 63,3 miljoen is de beschikbare weerstandscapaciteit voldoende om de risico's af te dekken.
Weerstandscapaciteit
De weerstandscapaciteit geeft aan welk vermogen we beschikbaar hebben om de risico's af te dekken. Dit bestaat uit de algemene reserve, de post onvoorzien en het vermogen om bezuinigingen door te voeren.
Algemene reserve
De gemeentebrede algemene reserve behoort tot de weerstandscapaciteit voor zover deze vrij beschikbaar is. Vanaf 2021 is deze volledig vrij beschikbaar, met uitzondering van een blokkering van € 16,5 miljoen voor de Noordelijke Rondweg.
Om de risico’s te beheersen en de financiële stabiliteit te waarborgen, wordt er tussen 2026 en 2029 in totaal € 15,15 miljoen toegevoegd aan de algemene reserve. Dit om met name de risico's van de investeringen bij de grote gebiedsontwikkelingen te kunnen opvangen.
Onvoorzien
De begrote post onvoorzien is € 0,7 miljoen per jaar.
Vermogen om bezuinigingen door te voeren
De ruimte in de meerjarenbegroting is bestemd voor nieuw beleid en toekomstige investeringen. Daarom rekenen we deze niet toe aan de beschikbare weerstandscapaciteit.
Financiële kengetallen
Terug naar navigatie - Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing - Financiële kengetallenRekening
2024 |
Rekening
2025 |
Begroting
2026 |
Begroting
2027 |
Begroting
2028 |
Begroting
2029 |
Begroting
2030 |
Signalerings-
waarde |
||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Stabiliteit |
|||||||||
Solvabiliteitsratio * |
19,67% |
23,56% |
21,53% |
20,40% |
19,83% |
18,98% |
19,03% |
< 20% |
|
Solvabiliteitsratio exclusief doorleningen |
23,69% |
27,86% |
25,34% |
23,59% |
22,64% |
21,35% |
21,13% |
< 20% |
|
Structurele exploitatieruimte * |
1,92% |
5,58% |
1,61% |
2,03% |
1,40% |
1,20% |
1,44% |
< 0% |
|
Wendbaarheid |
|||||||||
Belastingcapaciteit * |
84,83% |
84,70% |
82,12% |
83,41% |
84,79% |
86,26% |
87,84% |
> 105% |
|
Netto schuldquote * |
49,81% |
45,32% |
55,91% |
62,71% |
72,25% |
81,47% |
88,02% |
> 130% |
|
Gecorrigeerde netto schuldquote * |
36,07% |
32,90% |
43,38% |
50,59% |
59,86% |
69,34% |
76,41% |
> 130% |
|
Weerbaarheid |
|||||||||
Grondexploitaties * |
0,84% |
0,68% |
1,48% |
1,46% |
1,51% |
1,50% |
1,50% |
> 35% |
|
Ratio weerstandsvermogen |
1,9 |
2,3 |
2,2 |
2,2 |
2,2 |
2,2 |
2,2 |
< 1,0 |
|
Onbenutte belastingcapaciteit |
44,77% |
45,05% |
45,70% |
44,13% |
42,51% |
40,84% |
39,12% |
||
Wettelijke kaders |
|||||||||
Rente risiconorm (ruimte onder risiconorm * € 1 miljoen) |
187 |
181 |
191 |
202 |
194 |
197 |
197 |
< 0 |
|
Kasgeldlimiet: onderschrijding (+) of overschrijding (-) per kwartaal |
++++ |
++++ |
++++ |
++++ |
++++ |
++++ |
++++ |
++++ |
|
EMU-saldo (* € 1.000) |
-14.157 |
6.418 |
-98.566 |
-78.271 |
-71.176 |
-86.279 |
-85.665 |
< € -45.218 |
|
* deze kengetallen zijn wettelijk voorgeschreven |
|||||||||
Toelichting op de financiële kengetallen
Terug naar navigatie - Paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing - Toelichting op de financiële kengetallenStabiliteit
Solvabiliteitsratio
De solvabiliteit drukken we uit in een percentage van het eigen vermogen tegenover het totaal vermogen. Dit geeft inzicht in de mate waarin we in staat zijn om aan onze verplichtingen te voldoen. Dit kengetal wordt gedempt doordat we grote geldleningen hebben verstrekt aan woningcorporaties en voor de onderwijshuisvesting. Een solvabiliteitsratio die lager is dan 20%, wordt door de provincie als risicovol beschouwd.
Solvabiliteitsratio exclusief doorleningen
Omdat Breda in verhouding tot andere gemeenten grote leningen heeft verstrekt aan woningcorporaties en voor onderwijshuisvesting, heeft dit een dempend effect op de solvabiliteitsratio. Daarom wordt hier ook de solvabiliteitsratio weergegeven zonder deze leningen. Dit kengetal geeft een realistischer beeld van onze financiële positie.
Structurele exploitatieruimte
Dit kengetal geeft informatie over de mate waarin we structurele lasten kunnen afdekken met structurele baten. Vanuit het BBV is de norm dat de structurele exploitatieruimte in evenwicht dan wel positief is.
Wendbaarheid
Belastingcapaciteit
De belastingcapaciteit geeft weer hoe de lokale lastendruk in de gemeente Breda zich verhoudt tot het landelijk gemiddelde. Het geeft hiermee een indicatie van de ruimte om extra inkomsten uit belastingen te genereren. De belastingcapaciteit wordt berekend door de totale woonlasten van een meerpersoonshuishouden in de gemeente in een specifiek jaar te vergelijken met het landelijk gemiddelde in het voorafgaande jaar en dit uit te drukken in een percentage. De provincie beschouwt een belastingcapaciteit hoger dan 105% als risicovol.
Netto schuldquote
De netto schuldquote geeft inzicht in het niveau van de schuldenlast tegenover de eigen middelen. Het laat zien hoeveel de rentelasten en aflossingen drukken op de exploitatie. Dit zijn de signaleringswaarden van de provincie: < 90% is het minst risicovol, 90-130% is neutraal, > 130% is het meest risicovol.
Gecorrigeerde netto schuldquote
Bij de berekening van de gecorrigeerde netto schuldquote houden we rekening met doorgeleende gelden. Zowel de netto schuldquote als de gecorrigeerde netto schuldquote laten zien dat de lasten die samenhangen met onze netto schuld passen binnen een acceptabele bandbreedte.
Weerbaarheid
Grondexploitaties
Het kengetal grondexploitaties geeft een indicatie van het financiële risico dat de gemeente loopt met haar grondportefeuille. Het kengetal wordt berekend door de boekwaarde van de grondexploitaties af te zetten tegen de totale baten van de gemeente (exclusief onttrekkingen aan de reserves). De provincie hanteert als signaleringswaarden: < 20% is het minst risicovol, 20-35% is neutraal, > 35% is het meest risicovol. Dit kengetal laat zien dat we voor de baten van de organisatie niet erg afhankelijk zijn van de opbrengsten uit grondverkopen. In het verleden zijn er flinke afboekingen geweest op de grondposities. De kans op een herhaling van een risico met deze omvang is klein.
Ratio weerstandsvermogen
Het weerstandsvermogen geeft een indicatie van de mate waarin de gemeente in staat is om niet-begrote financiële tegenvallers op te vangen, zonder de noodzaak om direct te bezuinigen. De benodigde weerstandscapaciteit wordt bepaald op basis van een inventarisatie en analyse van de risico’s die de gemeente loopt. Dit kengetal geeft de verhouding weer tussen het weerstandsvermogen en de risico's. Een ratio hoger dan 1 geeft een indicatie dat er voldoende weerstandsvermogen is om risico’s af te dekken.
Onbenutte belastingcapaciteit
Bij de onbenutte belastingcapaciteit kijken we naar de 3 belangrijkste inkomsten voor de gemeente: de ozb, de afvalstoffenheffing en de rioolrechten. Dit kengetal geeft weer hoeveel ruimte de gemeente heeft om extra belastingen te heffen.
Wettelijke kaders
Renterisiconorm
De renterisiconorm heeft als doel om toekomstige renterisico’s op de kortlopende schuld te beperken. De renterisico’s worden berekend als de som van de aflossingen en de renteherzieningen op de bestaande langlopende schuld. Er geldt een wettelijke norm. Het totale jaarlijkse renterisicobedrag mag niet groter zijn dan 20% van het begrotingstotaal. De renterisiconorm dwingt daarmee tot spreiding van de aflossingen en renteherzieningen. De renterisiconorm is uitgebreid toegelicht in de paragraaf Financiering.
Kasgeldlimiet
De kasgeldlimiet betreft een plafond voor de kortlopende schuld van de gemeente, met als doel een te grote gevoeligheid voor rentefluctuaties op de kortlopende schuld te voorkomen. De kasgeldlimiet is wettelijk bepaald op 8,5% van het begrotingstotaal. Als de kortlopende schuld van een gemeente voor het derde achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet overschrijdt, moet de gemeente haar toezichthouder hiervan op de hoogte te stellen en een plan voorleggen om het daaropvolgende kwartaal weer aan de kasgeldlimiet te voldoen. In het overzicht staat een plusteken als de gemeente in het kwartaal onder de limiet is gebleven. Is de limiet in een kwartaal overschreden, dan is dit met een minteken aangegeven.
EMU-saldo
EU-lidstaten mogen een EMU-tekort hebben van maximaal 3% van het bruto binnenlands product (bbp). In dit maximale tekort mogen, naast het Rijk, ook de decentrale overheden een aandeel hebben. De gezamenlijke ruimte voor de gemeenten bedraagt 0,34% van het bbp. In de septembercirculaire Gemeentefonds 2025 zijn de individuele referentiewaarden gepubliceerd die de afzonderlijke gemeenten als richtlijn kunnen hanteren. De referentiewaarde voor Breda bedraagt € -45,2 miljoen.